Gratis nieuwsbrief

E-mailadres:
 
Twitter
Naober Team


Winter 2009

9. Het mysterieuze pakje

Wat vooraf ging…

Fleur (39), haar man Enno (42) en hun vier kinderen (Koen 13, Roos 11, Tim 8 en Juul 5) verhuisden onlangs van Amsterdam naar een klein dorp op het platteland. Enno is voor zijn werk meestentijds in het westen. Hij is advocaat en gespecialiseerd in echtscheidingen. Chantal, één van Fleurs vriendinnen uit Amsterdam, logeert tijdelijk bij de familie, omdat ze problemen heeft met haar man Maurice. Fleur heeft al heel wat nieuwe mensen ontmoet. Haar buurvrouwen Ellie en vrouw Pasman, Florian Haerst, de aardige neef van de laatste, de ‘buurtburgemeester’ en wat moeders van klasgenoten van haar kinderen. Fleur organiseert een intrekkersmaol om de banden met de buurt te verstevigen.

Zenuwachtig ijsbeert Fleur door de keuken. Ze kijkt op de klok. Vijf over drie. Ze kunnen nu elk moment komen. Alles staat klaar. Koffie, thee, zelfgebakken appeltaart, cake. Met haar neus bijna tegen het koude keukenraam gedrukt tuurt ze het weiland en de zandweg voor haar deur af. Niemand te bekennen. Vervelend. Hoe laat vallen ze binnen? Komen ze één voor één of allemaal tegelijk? Fleur heeft geen idee van wat haar te wachten staat. Oké, Ellie stelde het allemaal heel simpel en eenvoudig voor. Zorg dat je voldoende van dit en voldoende van dat in huis hebt. Dan komt het vanzelf goed. O ja, ze moest er rekening mee houden dat iedereen het héle huis wilde zien, inclusief de slaapvertrekken. Fleur had haar handen in de lucht gestoken en verzucht: ‘Nee hè! Dus ik moet nog poetsen voor de buurt ook!’ Lachend had Ellie haar sterkte gewenst. Met de wat cynisch uitgesproken woorden ‘Je moet er wat voor over hebben om er hier bij te horen’, was ze vertrokken.

‘Wat sta je daar nou naar buiten te gapen, Fleur?’ Chantal komt naast haar voor het keukenraam staan. ‘Ben je zenuwachtig? Ja hè? Doe niet zo raar! Je hebt toch alles onder controle? Geen paniek. Relax! Wat zijn ze hier nu helemaal gewend? Als er maar bier is.’ Geïrriteerd kijkt Fleur haar vriendin aan. ‘Waar slaat dat op? Ik vind het eigenlijk helemaal niet prettig als je zo over mijn buren praat’, sist Fleur haar vriendin toe, terwijl ze de koffiekopjes op het aanrecht nog maar weer eens rangschikt. ‘Nou, het is toch zeker zo. Fleur, jij weet net zo goed als ik dat dit feestje geen bal voorstelt in vergelijking met wat je allemaal in Amsterdam op poten hebt gezet. Daar heb ik je nog nooit zenuwachtig zien doen.’ Die mensen zeiden me ook niks, denkt Fleur. Altijd relaties van Enno. Soms waren het best aardige mensen, maar het kwam ook voor dat je al van een kilometer afstand rook dat het foute lui waren. Als scheidingsadvocaat verkeerde Enno in allerlei milieus. Dus ook in dat van de snelle jongens die in de onroerend goedwereld veel geld verdienden. Als ze dan met hun nieuwe blonde Anita’s op de door haar georganiseerde feestjes verschenen, moest Fleur altijd even slikken. Een gevoel van onbehagen. Ze vond dit soort mensen bijna altijd té luidruchtig, té amicaal en té gladjes.

‘Kijk, daar komt de hele Muppetshow aan’, tettert Chantal in haar oor. Verbaasd kijkt Fleur op. In de verte ziet ze inderdaad een hele stoet mensen – haar buren – netjes achter elkaar aan, richting haar huis wandelen. Het is een kolderiek gezicht. Hein Dankert, de buurtburgemeester, loopt voorop. Met de borst vooruit en zijn kin naar boven stapt hij stevig door. Zoals altijd heeft hij lange kousen, een broek tot net over de knieën en een mal tweedjasje aan. Met drukke armbewegingen lijkt hij de persoon naast zich iets duidelijk te willen maken. Fleur kijkt eens goed. Florian loopt naast hem. Met een groot boeket bloemen in zijn armen probeert hij het tempo van de buurtburgemeester bij te houden. Her en der herkent Fleur de gezichten uit de buurt. Haar buurvrouw van een eindje verderop bijvoorbeeld, met de tweeling in een dubbele buggy. Hee, daar loopt ook het gezin van de boerderij op de hoek naar het dorp toe. Fijn dat er ook wat kinderen meekomen. Wel zo gezellig voor haar eigen kroost. Die zaten vanochtend met z´n vieren al te mopperen. Hun moeder moest vooral niet denken dat ze de hele middag op zouden zitten en pootjes geven. Helemaal achteraan ziet Fleur Ellie. Voorzichtig, een beetje onhandig, duwt Ellie de rolstoel van vrouw Pasman. Goh, dat het oude buurvrouwtje ook de moeite neemt te komen kijken. Of is het pure nieuwsgierigheid?

Snel loopt Fleur naar de woonkamer. ‘Enno, ze komen er aan. Kinderen, ruimen jullie nog even de stripboeken op? Juul, neem die Barbiepoppen maar mee naar boven, wil je?’ Langzaam staat Enno op. Zijn gezicht drukt nou niet bepaald uit dat hij er zin in heeft. ‘Kom op Enno. Even meewerken.’ Fleur knijpt even in de wangen van haar man en trekt ze dan een beetje omhoog, waardoor iets van een glimlach rond zijn mond verschijnt. ‘Oké, wat moet ik doen? Zullen Chantal en ik ons om de drankjes  bekommeren? Dan kun jij de gasten één voor één of – beter nog – in groepjes rondleiden. Is dat wat?’ Fleur knikt. Ze heeft niet echt zin om nu met Enno een discussie over de taakverdeling aan te gaan. Al is ze het er helemaal niet mee eens. Natuurlijk moet Enno ook zijn buren rondleiden en vermaken. Wat denkt hij wel? Een beetje bij de wijn staan flauwekullen met Chantal? Ze stuurt hem zo wel even bij.

‘Wat zit er achter die deur?’, vraagt Florian aan Fleur als ze met z’n tweeën op de iets te nauwe overloop staan. ‘Nou’, zegt Fleur, ‘volgens Enno is het de deur naar nóg meer ruimte.’ Verbaasd kijk Florian haar aan. ‘Hoezo volgens Enno? Heb je het zelf nog nooit gezien?’ ‘Nee. Ik weet het, het klinkt suf, maar er schijnt een trap naar de zolder achter te zitten. Enno heeft hem tijdens de bezichtiging natuurlijk wel gezien. Het schijnt één grote, lege, kale ruimte te zijn. In een erbarmelijke staat, dat wel. Als we er iets mee zouden willen moeten we isoleren, opnieuw stuken en verven. Ik heb geen idee hoe het er uit ziet. Ikzelf ben er nog nooit op geweest. We zijn de sleutel van de deur kwijt.’ Fleur moet lachen als ze het verbaasde gezicht van Florian ziet. Dan gaat ze verder: ‘Ik heb Enno gevraagd die deur op slot te doen. Juul, onze jongste, is nogal een padvinder. Ze is altijd op onderzoek uit. Ik wilde voorkomen dat zij naar de zolder zou gaan.

Maar de sleutel is dus zoek.’ Fleur friemelt wat aan haar kapsel. Ze probeert wat losgeraakte haren in haar knotje te steken. Dat gaat helemaal niet goed en in plaats van het in model te brengen, rolt haar slappe haar en masse uit de knot. ‘Shit’, vloekt Fleur en gehaast draait ze opnieuw een knotje. Florian kijkt geamuseerd toe. ‘Waarom laat je er geen ander slot opzetten?’, vraagt hij. ‘Ach, daar heb ik nog helemaal niet over nagedacht. Ik weet ook niet wat ik met die zolder moet. Nóg meer kamers om schoon te maken zeker. Nee, dank je. Laat maar lekker dicht zitten. Zeg, wat heb jij eigenlijk met dat pakje voor die meneer van Zanten gedaan? Heb je het naar het postkantoor gebracht of er stiekem eerst even in gekeken?’, grapt Fleur. Dan ziet ze dat Florian bloost. ‘O, je hebt er in gekeken! Stoute jongen die je bent!’, plaagt ze hem. ‘Wat zat er in?’ Onbewust buigt Fleur haar hoofd iets in de richting van Florian om geen woord te missen van wat hij nu gaat zeggen. Hun gezichten zijn nog maar een centimeter of dertig van elkaar verwijderd. Een stemmetje in Fleurs achterhoofd zegt dat ze gevaarlijk dicht bij een té leuke man staat. Nu moet er niemand de hoek om komen zeilen, want die zal er geheid het zijne of hare van denken. ‘Eh, ja, ik heb er inderdaad in gekeken. Ik vond dat ik dat moest doen. Zeg nou zelf, een pakje voor een meneer van Zanten die niemand kent. Hij zou nota bene hier wonen. Dat is toch raar?’,  fluistert Florian. ‘Je hoeft je niet te verdedigen’, stelt Fleur hem gerust. ‘Zelf zou ik nooit de post van een ander openmaken. Dat is toch strafbaar? Kreeg je geen uitbrander van het postkantoor?’ ‘Ik heb het pakje niet teruggebracht. Beloof me dat dit onder ons blijft.’ ‘Ik zal er met niemand over praten.’ ‘Ook niet met je man?’ ‘Nu doe je toch wel een beetje gek, Florian.’ Florian schudt zijn hoofd en kijkt haar nog eens indringend aan. ‘Beloof me dat je het er zelfs niet met je man over zult hebben.’ ‘Ik zwijg als het graf?’ Florian kijkt haar vreemd aan. ‘Ik was nogal geschokt. Weet je wat er in dat pakje zat?’


‘Wat staan jullie hier gezellig te smoezen? Het feest is beneden hoor!’ Betrapt kijken Florian en Fleur op. Het is Hein, de buurtburgemeester. Florian herstelt zich meteen. ‘Hoi Hein’, zegt hij. ‘Ik vertel net aan Fleur hoe mooi dit huis is opgeknapt. Jij hebt er toch heel andere herinneringen aan? Of niet? Op weg hiernaartoe vertelde Hein me dat de vorige bewoners er een zootje van hadden gemaakt.’ Dankbaar kijkt Fleur in Florians richting. Knap hoe hij het gesprek meteen over een andere boeg wist te gooien. ‘O ja?’, speelt Fleur het spel mee. ‘Wie woonden hier dan?’ ‘Een man en een vrouw’, antwoordt Hein. ‘Geen idee waar ze vandaan kwamen, maar het was wel een vreemd stel. Schrijvers. Dat vertelden ze tenminste in het dorp. Ik heb in de bieb wel eens naar een boek van één van hen gezocht. Ik kon niets vinden. De boel zat hier altijd potdicht. Bah! Nee, ik ben blij dat er nu een net gezin woont. Jongens, ruik ik braadworstjes? Kom gezellig mee naar beneden, dat praat wat comfortabeler dan hier in dat nauwe gangetje.’ Hein heeft zich al omgedraaid. Zonder iets te zeggen of elkaar ook maar even aan te kijken lopen Fleur en Florian als twee makke schapen achter hem aan. De vraag wat er in dat mysterieuze pakje zat laat Fleur de rest van de middag niet meer los.   
(wordt vervolgd)



Tekst: Margriet van Buren Illustratie: Elly Overberg